Niet pluis

Twintig jaar geleden was ik in opleiding in het ziekenhuis waar ik nu als patiënt kom. Ik had dienst toen laat op de avond een vrouw binnengebracht werd. Ze had een ernstige alcoholverslaving en was eerder die dag gevallen. Er kwam geen zinnig woord uit. Waarom ze in de separeerruimte zat, weet ik eigenlijk niet meer. Ze was niet geagiteerd of agressief. Misschien om haar te kunnen observeren via de camera. Omdat ik nauwelijks een anamnese kon afnemen, deed ik een uitgebreid lichamelijk en neurologisch onderzoek. Mijn identiteit als dokter had ik versterkt door een jaar als basisarts op de afdeling neurologie te werken en daar kon ik nu op terugvallen.

De vrouw zag er niet goed uit. Ze was erg mager, slecht verzorgd en zat onder de blauwe plekken. Haar bewustzijn was verlaagd en ze bewoog bijna niet. Ik had een sterk niet-pluis-gevoel. Maar ik kon mijn vinger er niet op leggen. Ik overlegde met de achterwacht. ‘Bel de dienstdoende neuroloog maar,’ was zijn advies. Die kende ik uit de consultatieve dienst. Pittig en bekwaam. Maar ik had altijd het gevoel dat ik haar lastig viel. Kordaat somde ik de bevindingen op in het jargon dat ik beheerste. ‘Ik vermoed dat er iets neurologisch aan de hand is dat haar verlaagde bewustzijn verklaart’. Ondanks mijn goed voorbereide verhaal nam ze mij niet echt serieus. Ze zei het niet, maar een alcoholist in de isoleercel van de afdeling psychiatrie, daar wilde ze ’s nachts niet voor wakker gebeld worden.

Ze scheepte me af met een wekadvies voor de verpleging. Morgenochtend zou ze langskomen om de patiënte te beoordelen. Ik legde de telefoon neer en keek de nachtverpleegkundige aan. Dit was niet goed. Ik belde mijn achterwacht opnieuw omdat ik het gevoel had dat de neuroloog de casus verkeerd inschatte. Ik had de symptomen goed in kaart gebracht en op de juiste manier overgedragen. ‘Je kan niet meer doen. Leg je erbij neer.’

Ik schreef alles zo goed mogelijk in het dossier en vertrok rond half vier naar huis. De verpleegkundige zou de vrouw in de separeer elk uur wakker maken om te zien of ze nog goed te wekken was. Bij de geringste twijfel zou ze mij bellen en dan zou ik de neuroloog informeren.

In bed liet het beeld me niet los. Ik zag de kille ruimte met de brits voor me. De vrouw gehuld in het blauwe scheurlinnen, zo suf dat ze in een oncomfortabele houding bleef liggen. Ze was een neurologisch zieke patiënt maar lag in de psychiatrische separeerruimte. Daardoor kreeg ze niet de behandeling die ze nodig had. Ik voelde me machteloos.

Blijkbaar was ik toch in slaap gevallen want om half zeven werd ik wakker van de diensttelefoon. Het was de neuroloog. Ze had na mijn verhaal argwaan gekregen en was in de auto gestapt om de patiënt zelf te onderzoeken. ‘Je had gelijk. De spoed CT-scan liet een subduraal hematoom zien’. Ze had de vrouw overgeplaatst naar haar eigen afdeling en was meteen met de behandeling begonnen.

Het klinkt misschien gek maar als dokter ben ik dan opgetogen. Omdat ik het niet-pluisgevoel serieus had genomen en had weten over te brengen op de neuroloog. Omdat de vrouw op de goede plek terecht kwam, de juiste behandeling kreeg en het overleefde. Omdat ik het goed had gezien.

Afgelopen week was ik voor het eerst weer in dat ziekenhuis. Het is onherkenbaar gerestyled maar zowel de psychiater als de neuroloog werken er nog. Ik zag ze allebei lopen. Zouden zij zich deze vrouw ook nog herinneren?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *