Maandag 10 januari 2022: de installatie van het nieuwe kabinet. Hopelijk kan de verse vakminister in de Zorg een verschil maken. In deze blog voor Medisch Contact betoog ik dat hij dat echter niet alleen kan. De dokters zijn zelf ook aan zet. Daarvoor moet hij ons wel vertrouwen durven geven.
Categorie: psychiatrie
-
Skinny jeans
U bent beller nummer veertien, klinkt de computerstem als ik maandagochtend het gezondheidscentrum bel. Ik heb een week geleden mijn scheenbeen gestoten. Gisteren voelde ik bij het sporten de blauwe plek kloppen en in de kleedkamer bleek mijn hele onderbeen gezwollen. Toch maar even naar de huisarts.
‘Cellulitis’, zegt de waarnemer en schrijft antibiotica voor. Vrijdag kan ik er nauwelijks meer op staan door de pijn. Na een korte blik op het been vermoedt een andere waarnemer een abces en stuurt me naar het ziekenhuis. De assistent chirurgie op de SEH zal er wel even naar kijken.
Een paar uur later sta ik weer buiten. Het abces is ontlast. ‘Drie maal per dag de douchekop erop zetten en goed spoelen. Over tien dagen terugkomen op de poli.’
In mijn vakgebied heeft ervaringsdeskundigheid een belangrijke plek verworven. Zo maken in psychiatrische instellingen ervaringsdeskundigen vaak onderdeel uit van behandelteams. Mijn eigen ervaring met recidiverende depressies zet ik regelmatig in bij behandelingen in mijn solopraktijk. Maar wat ik nu meemaak voegt daar nog een dimensie aan toe.
Dat de druk vanuit het abces is weggevallen, is een verlichting. Maar die douchekop erop doet f*cking pijn. Bovendien vind ik het er naar uitzien, zo’n gat met die holte eronder in mijn been. De assistent chirurgie had haar vinger in de wond gestoken en de zooi eruit gehaald. Ik vraag mijn man voor het spoelen. Terwijl ik mijn kiezen op elkaar zet, spoor ik hem aan om de waterstraal harder te zetten. ‘Anders gaat de prut er niet uit!’ Maar de snijdende scherpe pijn is slecht te verdragen. Ik voel me een watje. En ik maak me zorgen want ik heb ook wat verhoging. ‘Wat heb je aan pijnstilling genomen?’ vraagt de dienstdoende als ik bel voor overleg. Daar hadden ze niets over gezegd na de operatie. Omdat ik zelden pijnmedicatie gebruik, was het niet in me opgekomen. ‘En het idee van het spoelen van de wond is dat die open blijft. Niet om alle pus eruit te spuiten’. Ik bloos en stamel bedankt, sorry voor het storen en ga op zoek naar paracetamol.
Mijn wond geneest voorspoedig. Bij een controle op de poli vraag ik de chirurg hoe lang het duurt voor er geen deuk meer in mijn been zit. Hij lijkt heel even te twijfelen maar zet dan zijn voet naast mij op de onderzoeksbank. Hij wijst naar zijn scheenbeen en begint zijn skinny jeans op te stropen. Ik voel me een beetje ongemakkelijk en maak me plaatsvervangend zorgen of de broek nog wel terug omlaag kan. ‘Kijk.’ Hij toont mij een groot litteken net onder zijn knie, licht verzonken. ‘Zo wordt het waarschijnlijk, maar dat kan nog wel een paar weken duren’. Door zijn onconventionele antwoord val ik uit mijn stoere-dame-pose en borrelen spontaan nog een paar vragen op. Gerustgesteld ga ik met een glimlach weer huiswaarts.
Deze ervaringen als patiënt houden mij een spiegel voor. Hoe vaak vergeet ik dat je zorgen maken iets doet met je assertiviteit en denkvermogen? Dat patiënten mij soms niet willen belasten en daarom niet alles vertellen? Dat ze wel intelligent en stevig lijken maar dat daaronder soms onzekerheid en angst schuilgaan?
Ik gun elke patiënt een arts die zelf ook af en toe patiënt is. En die ervaring integreert in het werk. Van psychiatrie tot heelkunde.
-
Onheilstijding
Net als mijn naamgenoot in de Griekse oudheid de ondergang van Troje voorspelde, waarschuw ik nu tegen de ondergang van de vrijgevestigde psychiater in Nederland als de Zorgverzekeraars niet tot rede komen. Lees de blog voor Medisch Contact.
-
Niet pluis
Twintig jaar geleden was ik in opleiding in het ziekenhuis waar ik nu als patiënt kom. Ik had dienst toen laat op de avond een vrouw binnengebracht werd. Ze had een ernstige alcoholverslaving en was eerder die dag gevallen. Er kwam geen zinnig woord uit. Waarom ze in de separeerruimte zat, weet ik eigenlijk niet meer. Ze was niet geagiteerd of agressief. Misschien om haar te kunnen observeren via de camera. Omdat ik nauwelijks een anamnese kon afnemen, deed ik een uitgebreid lichamelijk en neurologisch onderzoek. Mijn identiteit als dokter had ik versterkt door een jaar als basisarts op de afdeling neurologie te werken en daar kon ik nu op terugvallen.
De vrouw zag er niet goed uit. Ze was erg mager, slecht verzorgd en zat onder de blauwe plekken. Haar bewustzijn was verlaagd en ze bewoog bijna niet. Ik had een sterk niet-pluis-gevoel. Maar ik kon mijn vinger er niet op leggen. Ik overlegde met de achterwacht. ‘Bel de dienstdoende neuroloog maar,’ was zijn advies. Die kende ik uit de consultatieve dienst. Pittig en bekwaam. Maar ik had altijd het gevoel dat ik haar lastig viel. Kordaat somde ik de bevindingen op in het jargon dat ik beheerste. ‘Ik vermoed dat er iets neurologisch aan de hand is dat haar verlaagde bewustzijn verklaart’. Ondanks mijn goed voorbereide verhaal nam ze mij niet echt serieus. Ze zei het niet, maar een alcoholist in de isoleercel van de afdeling psychiatrie, daar wilde ze ’s nachts niet voor wakker gebeld worden.
Ze scheepte me af met een wekadvies voor de verpleging. Morgenochtend zou ze langskomen om de patiënte te beoordelen. Ik legde de telefoon neer en keek de nachtverpleegkundige aan. Dit was niet goed. Ik belde mijn achterwacht opnieuw omdat ik het gevoel had dat de neuroloog de casus verkeerd inschatte. Ik had de symptomen goed in kaart gebracht en op de juiste manier overgedragen. ‘Je kan niet meer doen. Leg je erbij neer.’
Ik schreef alles zo goed mogelijk in het dossier en vertrok rond half vier naar huis. De verpleegkundige zou de vrouw in de separeer elk uur wakker maken om te zien of ze nog goed te wekken was. Bij de geringste twijfel zou ze mij bellen en dan zou ik de neuroloog informeren.
In bed liet het beeld me niet los. Ik zag de kille ruimte met de brits voor me. De vrouw gehuld in het blauwe scheurlinnen, zo suf dat ze in een oncomfortabele houding bleef liggen. Ze was een neurologisch zieke patiënt maar lag in de psychiatrische separeerruimte. Daardoor kreeg ze niet de behandeling die ze nodig had. Ik voelde me machteloos.
Blijkbaar was ik toch in slaap gevallen want om half zeven werd ik wakker van de diensttelefoon. Het was de neuroloog. Ze had na mijn verhaal argwaan gekregen en was in de auto gestapt om de patiënt zelf te onderzoeken. ‘Je had gelijk. De spoed CT-scan liet een subduraal hematoom zien’. Ze had de vrouw overgeplaatst naar haar eigen afdeling en was meteen met de behandeling begonnen.
Het klinkt misschien gek maar als dokter ben ik dan opgetogen. Omdat ik het niet-pluisgevoel serieus had genomen en had weten over te brengen op de neuroloog. Omdat de vrouw op de goede plek terecht kwam, de juiste behandeling kreeg en het overleefde. Omdat ik het goed had gezien.
Afgelopen week was ik voor het eerst weer in dat ziekenhuis. Het is onherkenbaar gerestyled maar zowel de psychiater als de neuroloog werken er nog. Ik zag ze allebei lopen. Zouden zij zich deze vrouw ook nog herinneren?
-
Champignonkaastaart
Al meer dan dertig jaar verblijf ik in de grote multomap met recepten. Ondanks dat ik geperforeerd ben met zeventien gaatjes, lig ik er los in. Samen met een hele stapel geschreven en uitgescheurde Allerhande recepten. Een tijdje zat ik in het zichtmapje Favoriete recepten dat wel in de ringband vastzit. Ze is goed in het bedenken van systemen maar slecht in het hanteren.
Ik begon als maagdelijk wit gelinieerd blaadje. Ze beschreef me met haar lievelingsrecept toen ze op kamers ging. Inmiddels ben ik vergeeld met vettige vlekken. Ik lig tijdens het koken vaak op het aanrecht, dan krijg je dat.
Cassandra is geen sterrenchef maar heeft met mij wel regelmatig indruk gemaakt. De eerste keer weet ik nog heel goed. Ze woonde in een studentenhuis op de Joh de Bekastraat en had mij uitgekozen voor een etentje met Joep. Als eerstejaars was ze onverschrokken afgestapt op de James Dean van de geneeskundefaculteit. Vind je het leuk om een keer bij mij te komen eten? Ik begrijp niet wat haar bezielde maar was met haar eens dat ik de goede keuze ben voor dit klusje. Niet te moeilijk maar wel verassend.
Het duurt nog twee uur voor Joep komt. In de ranzige studentenkeuken kneedt ze met koele hand – dat vertel ik haar – de kwark met olie en bloem tot een soepel deeg. Uit haar kamer schalt We’ve got to let love rule van Lenny Kravitz.
Vervolgens maakt ze de vulling. De geur van uitgebakken spekblokjes, knoflook en gefruite ui trekt door het studentenhuis en maakt van de keuken een magneet voor haar huisgenoten. Terwijl Cassandra champignons, verse peterselie en basilicum erbij gooit, giechelen en dollen de meiden. Ze zijn vervuld van een mix van ontzag en medelijden. Die jongste huisgenoot durft. Maar zou die Joep wel echt komen?
Niet te lang bakken maar wel zorgen dat het vocht verdampt, instrueer ik. Ondertussen de eieren loskloppen met slagroom, peper en Worcestershiresaus. Het cruciale ingrediënt. Ze schept de helft van de oude kaas erdoor, mengt het met het champignonmengsel en giet alles in de springvorm. De andere helft van de kaas komt erbovenop.‘Is ie er nog niet?’ Laura gaat voor de vierde keer naar de WC. ‘Als ie niet komt, eet ik wel mee!’ Ze glimlacht verlekkerd. Joep is al een kwartier te laat. Zo meteen is de taart klaar. Ik weet dat die koud ook lekker is, dus daar maak ik me geen zorgen over. Ik vraag me wel af hoe Cassandra zo zeker weet dat die jongen komt. Dat kan nog behoorlijk pijnlijk worden.
Vier uur later zitten de dames in de GeRu. Joep is net vertrokken. Ze zijn het eens. Hij is echt knap. En out of her league. Maar hij vond de taart zo lekker dat hij mij meenam. Cassandra belooft haar huisgenoten om mij terug te halen. Volgende week gaat ze speciaal voor hen opnieuw champignonkaastaart maken.
-
Genoeg
‘Wat heeft u prachtige schoenen. Ik hield ook van mooie schoenen. Maar nu kan ik alleen nog maar deze aan’. Ze wijst naar de orthopedische exemplaren aan haar voeten.
Zo begint ons contact. Later bedenk ik dat alles hier al in zat. Ze heeft nog volop oog voor de wereld. Maar ze kan er niet meer aan deelnemen zoals voorheen. Daar lijdt ze onder. Een leven lang temde ze haar innerlijke onrust met een hoofdrol op het levenstoneel. Mooie kleding, sierraden en make-up. Ze was graag weg. In ruil voor aandacht gaf ze veel. Dwingend was ze en innemend met een groot netwerk van betrokken vrienden en familie.
Met het ouder worden kwamen de beperkingen. Altijd pijn door reuma en artrose. Ze kon steeds minder met haar handen. Lezen ging moeilijker. Haar bridgepartners kwamen bij haar thuis toen ze niet meer naar de club kon. Maar het was niet meer wat het geweest was. De bezigheden waar ze zo van hield, moest ze loslaten. Ze werd slechthorend en lopen was steeds lastiger. Haar leefwereld verkleinde zich in rap tempo. Ze werd steeds meer geconfronteerd met haar binnenwereld.
Het is genoeg geweest. Sinds de jaren zestig is ze lid van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie. Haar huisarts lichtte ze elke vijf jaar opnieuw in over haar wens. Haar twee kinderen zijn voorbereid. Ze wil dood.
Als psychiater moet ik beoordelen of een depressie meespeelt in die wens. Ik hoor de opmerking van de schoenen en doe vervolgens mijn werk. Ze geniet niet meer van het leven. Vrienden overlijden. Ze vergeet dingen en kan niet meer op woorden komen. Ze raakt in paniek bij het idee dat haar geestelijke vermogens net zo aftakelen als haar lichaam. Dan kan ze haar euthanasiewens niet meer overbrengen en is ze wilsonbekwaam. Haar grote angst is in een verpleeghuis te belanden en haar naasten niet meer te herkennen. In haar eigen poep te liggen en het niet doorhebben. Het maakt haar somber en ze voelt zich machteloos. Ze heeft toch vastgelegd dat ze euthanasie wil? Nou, kom op dan!
Maar zo gaat dat niet. Omdat ze volgens de criteria een depressie heeft, proberen we nog antidepressiva. Ze stemt in omdat het een stap richting euthanasie is. Niet omdat ze er iets van verwacht. Na vier dagen krijg ik een sms. In kapitalen: DOKTER ZUKETTO, DIT IS MEVROUW DE BIE. DE PILLEN WERKEN NIET. GRAAG NIEUWE AFSPRAAK. MVG MEVROUW DE BIE.
Ik bel haar en hoor dat ze in de nacht last kreeg van duizeligheid. ‘Wat als ik val dokter? Dan kom ik in het ziekenhuis en dat is het begin van het einde. Ik wil die pillen niet meer slikken. Het gaat wel iets beter. Het was prettig om te praten met u. Kan dat nog eens?’
In de maanden die volgen, bezoek ik haar vier maal. De euthanasiewens blijft onderwerp van gesprek. Een onafhankelijke ouderenpsychiater stelt een opeenstapeling van aan ouderdom gerelateerde klachten vast, die een psychisch lijden veroorzaken dat ondraaglijk is. Het vooruitzicht is dat ze alleen maar slechter zal worden. Volgens mijn collega is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen voor euthanasie.
Hoewel mevrouw De Bie al meer dan veertig jaar een zelfgekozen einde wil, heeft ze niet nagedacht hoe ze het leven gaat loslaten. Ze dramt om een datum. De kinderen en de huisarts voelen zich onder druk gezet. Het is vervreemdend dat ze juist in deze fase nauwelijks echt contact met haar kunnen maken. Een gesprek over hoe ze zich voelt of over hoe het voor hen is, is onmogelijk. ‘Kunt u nog een keer komen praten?’
Met het hele gezin zitten we in haar woonkamer. Ik verwoord wat de kinderen zelf al op verschillende manieren aan haar probeerden duidelijk te maken. Zo zakelijk als mevrouw De Bie haar euthanasie benadert, is het niet te doen voor hen. Ze luistert. ‘Hoe zou het zijn als jullie twee maanden nemen om met elkaar het loslaten en afscheid vorm te geven?’ Mokkend stemt ze toe: nog twee maanden… een eeuwigheid.
Mijn verbazing is groot als ik een maand later een totaal andere sfeer aantref. De kinderen vertellen dat ze met moeder naar het nieuwe Stationsgebouw zijn geweest. Ze genoot. En ze hebben hele fijne avonden gehad met mooie gesprekken. Er is gehuild en hard gelachen. De verbondenheid is voelbaar. Ze hebben hun moeder terug.
Ook mevrouw De Bie staat er heel anders in. Ze heeft familieleden en goede vrienden ingelicht dat ze euthanasie gaat krijgen. Een enkeling wilde ze nog zien. Ze bedacht wat er met haar spullen moet gebeuren. Hoe ze de uitvaart wil. Er is ruimte voor emoties als weemoed, berusting en verlichting.
Dan is de datum daar. De kinderen hebben samen met moeder kibbeling gegeten. Mevrouw De Bie neemt vrijwel meteen de regie. Ze maakt een rustige en vastbesloten indruk. ‘Ik ben er klaar voor. Het is goed zo.’ Ze is haar kinderen, de huisarts en mij dankbaar voor de steun in deze laatste maanden. ‘Het ga jullie goed’. Ze gaat staan, neemt de drank aan van de huisarts en drinkt het glas in enkele teugen leeg. ‘Dat heb ik geoefend met glazen water’, knipoogt ze. ‘Tip uit het clubblad’. Ze gaat weer zitten, kijkt haar kinderen nog een keer liefdevol aan en sluit haar ogen.
-
Gestoord – de epiloog
‘Scherpe pennen veranderen helaas niet veel’. Aldus een collega toen ik mijn scherpe pen verkoos boven politiek actief worden. Hij heeft ongelijk. Mijn blog Gestoord heeft iets in gang gezet.
Gestoord gaat over Kees die ’s avonds laat manisch-psychotisch op een randje staat op 60 meter hoogte aan de buitengevel van zijn flat. ‘Als de politie of de crisisdienst komt, spring ik van het balkon!’ Geen loze dreiging: hij zet de boel op scherp. Samen met de onderhandelaars van politie leg ik (zijn psychiater) contact en halen we hem na twee uur uit de levensgevaarlijke situatie. De titel Gestoord slaat echter niet op Kees maar op de gebeurtenissen daarna. Het duurt zeventien uur en kost vier ambulanceritten tussen de spreekwoordelijke kastjes en muurtjes, voor Kees opgenomen wordt op een psychiatrische afdeling.
Anderhalve week na de publicatie van Gestoord op Medisch Contact.nl belt het hoofd van de crisisdienst uit de stad van Kees. ‘We hebben hier allemaal je column gelezen. Het is duidelijk dat er veel is misgegaan. Ik wil graag terugkoppelen wat we naar aanleiding daarvan gedaan hebben’. Naast de formele incidentmelding bij de geneesheer-directeur, is er een casuïstiekbespreking geweest waarin ze uitgebreid stilstonden bij de zwakke plekken in het systeem. Ook de menselijke fouten die gemaakt zijn, bespraken ze zonder te vervallen in het toespelen van de zwartepiet. Natuurlijk is er een grotere context die niet meehielp in het voorkómen van deze gebeurtenissen. Het management gaat daarom versneld structurele dingen veranderen. Om de anonimiteit van Kees (die natuurlijk geen Kees heet) te waarborgen blijf ik uit de details.
Ze hebben hem zelf overigens nog niet hierover geïnformeerd. Dat gaan ze alsnog doen.
Gestoord is veel gelezen. Uit de reacties blijkt dat zorgverleners uit allerlei hoeken er van alles in herkennen. Schokkend en alarmerend vind ik dat. Maar dit beloop is hoopvol. Na het telefoongesprek voel ik me iets lichter. Systemen zijn vaak onverdraaglijk maar de mensen die in deze systemen functioneren, kunnen een verschil maken.
Ik blijf schrijven.
-
Gestoord
Zestig meter hoog. Daar staat Kees. Aan de verkeerde kant van de reling van het balkon.
Het ging al een paar weken niet goed, dat voelde Kees zelf ook wel. Maar toen de politie aanbelde, kon hij alleen maar denken: niet opnieuw! Geen psychiatrische opname meer. Hij was al zoveel kwijtgeraakt door die klote-ziekte. Dus barricadeerde hij de voordeur en stak de sleutel in het slot. ‘Als jullie binnenkomen, spring ik!’ Hij snelde naar het balkon en klom over de balustrade. De keten van gebeurtenissen die volgde was precies wat hij wilde voorkomen.
Het is half elf ’s avonds, als Kees’ echtgenoot mij belt. ‘De onderhandelaar van de politie vraagt of jij kan komen. Kees vertrouwt jou.’ Ik spring in de auto. Drie kwartier later sta ik in een stad die ik niet ken te overleggen met politie, twee onderhandelaars en het arrestatieteam dat klimmers paraat heeft. Het plan is dat ik contact met Kees probeer te maken vanaf een bovengelegen balkon zodat hij zo snel mogelijk uit die levensgevaarlijke positie komt.
‘Kees, ik ben het, Cassandra’. De verrassing als hij mijn stem hoort en mijn hoofd vier meter boven hem ontwaart, pakt goed uit. Ik kan contact leggen. Kees is zo uitgeput van twee uur balanceren boven de afgrond dat hij niet meer zelf over de reling kan klimmen. Twee leden van het arrestatieteam laten zich aan touwen langs de flatgevel zakken en brengen Kees in veiligheid. Als hij verkleumd en verslagen op de bank zit in het appartement, lijkt het manische beeld geluwd. Maar als zijn man een tas met toiletspullen, ondergoed en pyjama wil pakken, is die rust verdwenen. Kees neemt het over en pakt honderduit pratend een koffer alsof hij voor twee weken naar Ibiza vertrekt. Als hij eindelijk op de brancard klimt, bedankt hij alle hulpverleners in de gang persoonlijk. De ambulance brengt hem naar de Opvang Verwarde Personen (OVP) – een speciale gang in een politiebureau met cellen voor verwarde mensen. Daar zal de crisisdienst (CD) hem komen beoordelen.
Ik rij op de snelweg naar huis als mijn mobiel overgaat. De ambulancebroeder staat bij de OVP maar Kees mag daar niet blijven. Vooraf had de crisisdienst moeten bellen en hem aanmelden. Ik vloek. Ik had de politie daar nog op gewezen. Hij vraagt: ‘Kunt u misschien met de OVP bellen en het uitleggen?’
Iemand die manisch is, moet zo min mogelijk prikkels hebben en voldoende slaap. Het is twee uur geweest en Kees moet met medicatie in een bed onder zeil. Dus ik haal alles uit de kast wat ik in me heb. Vergeefs. Kees heeft anderhalf uur op de OVP gewacht maar moet volgens het protocol naar de spoedeisende hulp (SEH). Daar willen ze hem ook weg sturen, maar de ambulance kiest voor de tactiek van de voldongen feiten, dropt hem in de wachtkamer en vertrekt. Na twee uur wachten stelt de SEH-arts vast dat Kees op de verkeerde plek is. Hij is somatisch in orde en moet naar de OVP. Het duurt nog eens vier uur voor een ambulance beschikbaar is die hem daar weer aflevert. Het is inmiddels acht uur ’s morgens. Kees appt me foto’s van de cel waar hij moet wachten op de crisisdienst. Het is er stervenskoud. Slapen komt er dus nog steeds niet van. Begin van de middag komt de crisisdienst en na overleg met mij zoeken ze een opnameplek in een instelling. Zeventien uur nadat we Kees uit de levensgevaarlijke situatie hebben gered en vier verplaatsingen met de ambulance van kastjes naar muurtjes wordt hij opgenomen op een gesloten afdeling. Het is na zessen in de avond als hij daar aankomt.
Ik heb nooit hoofdpijn maar de dagen erna neem ik vier keer een paracetamol. Acht jaar werk ik in mijn eigen praktijk. Alles is hier beter dan bij de grote instellingen. Alleen de crisisdienst en het werken in een team, dat heb ik gemist. In de 360 graden feedback voor de IFMS schreef een collega: ‘ik zou de GGZ gunnen dat je daar weer gaat werken, je bent een teamplayer en een ster in complexiteit’. Toen ik op de snelweg naar huis reed, overwoog ik heel even of ik zou terugkeren.
Maar ik verdraag het niet.
Met gestoorde patiënten kan ik alles. Met gestoorde systemen helemaal niets.
-
Verstopte afvoer
Een handgeschreven briefje hangt met plakband aan de binnenzijde van de deur van de personeels-WC. ‘WC-papier in afvalemmer gooien. Er is waarschijnlijk een verstopping op komst.’ Ik lees het twee keer. Het eerste deel van de tekst vind ik ronduit smerig. Een blik op de afvalbak leert dat desondanks een aantal mensen gehoor geeft aan het verzoek. De stank valt verrassend genoeg mee. Het tweede deel van de boodschap intrigeert me. Waarschijnlijk een verstopping op komst. Wat bedoelt de schrijver? Een verstopping lijkt me een binair iets: die is er wel of niet. Een beginnende verstopping is een verstopping. Het onderliggende probleem gaat meestal niet vanzelf weg. Juist in een vroeg stadium is snel actie nodig om het op te lossen en verdere schade en overlast te voorkomen. En dan bedoel ik niet het advies om geen pleepapier meer in de pot te gooien.
Een dag later stroomt de toilet bijna over als ik doorspoel. Van collega’s begrijp ik dat de patiëntentoiletten in de wachtkamer en de wasbakken ook last hebben van de verstopte afvoer. ‘Het was gemeld begreep ik’, zegt de doktersassistente. ‘Er zou iemand een afspraak maken met een loodgieter.’ Twee uur later sta ik in mijn spreekkamer te dweilen en vraag me vloekend af waar die blijft.
Diezelfde middag spreek ik een huisarts met wie ik regelmatig samenwerk over de behandeling van een gezamenlijke patiënt. Ik ken haar als een heel betrokken dokter die altijd een stap extra zet voor haar patiënten. Maar vandaag is ze de wanhoop nabij. ‘Het is niet meer te doen, zeker niet als praktijkhouder. De huisartsenzorg is het afvoerputje van de gezondheidzorg in Nederland. De boel raakt volledig verstopt. Jouw GGZ-sector bijvoorbeeld dumpt de moeilijkste patiënten bij ons met de mededeling dat zij er weinig mee kan. Wij mogen het als huisartsen uitzoeken. Overal zijn wachtlijsten of aanmeldstops.’ Ze overweegt steeds vaker haar stethoscoop aan de wilgen te hangen.
De afgelopen acht jaar doe ik eenmalige consultaties voor haar als ze echt niet meer weet wat ze met iemand moet. Ik lever dan een plan van aanpak voor de behandeling van haar patiënt in de wachttijd voor de GGZ. Ik slik en voel me bezwaard dat ik niet meer kan doen voor haar en haar collega’s.Ze vervolgt: ‘Weet je dat we als huisartsen zelf de triage op de huisartsenpost moeten doen deze zomer? Er zijn onvoldoende triagisten. Die zijn allemaal omgevallen in de coronadrukte of ze willen eindelijk weer een keer op vakantie. Dus nu moet ik extra diensten draaien. Ik zie steeds meer collega’s die het voor gezien houden. Het failliet van dit gezondheidszorgsysteem is in aantocht. Het lukt maar niet om de mensen die aan de knoppen kunnen draaien, dát in te laten zien.’
Soms komen de metaforen vanzelf naar de schrijver toe. Huisartsen de triage laten doen op de huisartsenpost in plaats van triagisten, is als pleepapier niet langer in de pot gooien. Het is een schijnoplossing die het moment van overstroming uitstelt maar niet afwendt.
Ik heb spijt dat ik vanmorgen niet naar de directeur van het gezondheidscentrum ben gelopen. Ik had me ervan moeten vergewissen dat de urgentie van dit probleem helder is en dat een concrete oplossing in de maak is. Ik liet me gerust stellen door de assistente die zei dat ze dacht dat het gemeld was. Als ik de analogie doortrek dan realiseer ik me dat we als medisch specialisten achter onze huisartsen moeten gaan staan. Het overgrote deel van de kwalitatief hoogstaande zorg in Nederland wordt door huisartsen geleverd voor een fractie van het totale gezondheidszorgbudget. We kunnen niet zonder hen. De komende jaren gaan veel huisartsen die fulltime werken met pensioen. Als de jonge(re) garde afhaakt omdat het niet meer te doen is, dan is de schade voor ons gezondheidszorgsysteem niet te overzien.
Het is te laat om te vertrouwen op ‘het is geloof ik gemeld’. Nog even en we staan allemaal te dweilen. De verstopte afvoer is niet het probleem van de huisartsen, het is het probleem van ons allemaal.
-
Pacman
Toen ik las over een analfabete moeder die met emoticons via What’s App communiceert met haar kinderen, moest ik aan Mieke denken die ik jaren geleden zag voor een consultatie.
Mieke is begin zestig. Ze komt mijn kamer binnen als een verbitterde en wantrouwende vrouw. Ze heeft kort vet haar en een bril. Achter haar overgewicht sjokt Willem, haar man. Ze is gestuurd door de psycholoog omdat ze stemmen hoort.
Eerst maar eens contact maken. Ze vertelt dat ze zichzelf niet meer terug kent. Ze is extreem prikkelbaar en boos. ‘Ik ben net Pacman, ik bijt in alles wat in de weg staat’. Twee jaar geleden kreeg ze allerlei klachten. Ze is voortdurend moe. Heeft overal pijn. Zichzelf verzorgen is al te veel. Niets kan haar meer boeien. Genieten lukt niet. Ze is onrustig en eten doet ze alleen omdat het moet. De stemmen hoort ze buitenshuis. ‘Je moet hier weg’, zegt iets in haar hoofd. Ze vindt het eng dat ze soms niet goed weet waar ze is. Haar hele leven heeft ze hard gewerkt. Ze stond voor iedereen klaar, thuis en in haar werk. Ze hield van schoonmaken. Maar dat gaat allemaal niet meer. Ze is op.
Ik vraag naar haar levensloop. Mieke heeft 40 jaar gewerkt in de thuiszorg. Nooit ziek geweest. Willem vertelt dat ze zelfs als ze vrij was nog pannetjes soep ging brengen bij patiënten die eenzaam waren. Ze erkent dat ze te hard werkte, maar ze haalde veel energie uit de waardering die ze kreeg.
Het contrast met haar privéleven is groot. Haar moeder benadrukte altijd dat ze dom was. Ze kon niet goed leren. School was een martelgang. Willem en zij hebben een zoon met een criminele carrière en daar hebben ze veel zorgen over. Het huwelijk heeft zijn beste tijd al jaren achter zich. Ontspannen heeft ze nooit gekund. Werk was haar afleiding. Nu dat is weggevallen blijkt dat ze geen andere manieren heeft om met stress en spanning om te gaan.Ik leg haar uit dat ze een depressie heeft en wat we daaraan kunnen doen. Ik registreer dat ze onrustiger wordt. ‘Wat vertel je me niet Mieke? Waar ben je bang voor?’ Ze slikt en kijkt even naar Willem. Die knikt bijna onmerkbaar. Dan komt de aap uit de mouw. De arbodienst vindt dat ze weer aan de slag moet. Ze is als de dood dat ze op kantoor moet re-integreren. Het probleem is dat ze niet goed kan lezen en schrijven en niets met computers kan. Maar werken bij klanten gaat ook niet: ze is veel te gespannen, prikkelgevoelig en ze heeft te veel pijn. En als ze weer terugkomt, moet ze met een elektronisch dossier leren werken. Haar nieuwe baas weet niet dat ze nauwelijks kan lezen.
Met veel moeite haal ik Mieke over om met een antidepressivum in druppelvorm te beginnen. En ik schrijf een brief aan UWV over de depressie, het functioneel analfabetisme en de omstandigheden in haar werk. In feite kan zij niet beter worden omdat ze terug naar haar werk zou moeten en dan door de mand zou vallen. Uiteindelijk ben ik mee geweest naar het gesprek met de verzekeringsarts omdat ze bang was het niet goed uit te kunnen leggen.
Bij navraag blijken noch de huisarts noch de twee psychologen die ze de afgelopen twee jaar heeft gezien, van haar laaggeletterdheid op de hoogte. In Nederland zijn ongeveer 250.000 analfabeten: mensen ouder dan vijftien die helemaal niet kunnen lezen of schrijven. Daarnaast zijn er anderhalf miljoen laaggeletterden die moeite hebben met lezen en schrijven. Dat is een op de tien mensen. Als artsen zien we dus meerdere keren per week een Mieke op ons spreekuur. Maar ik weet zeker dat we dat zelden doorhebben.
Mijn Mieke kreeg begrip en erkenning van het UWV. In combinatie met de antidepressieve druppels knapte ze binnen een paar maanden op. Toen we de behandeling afsloten, gaf ze me een ongemakkelijke knuffel. Willem knipoogde terwijl hij zei: Pacman is gone.